1. Paulus zegt met oog op het onderwerp van het vorige hoofdstuk, namelijk het eten van vlees dat aan afgoden geofferd is: “Kom niet in aanraking met afgodenaanbidding, maar vlucht ervan.”
2. Als we het avondmaal vieren, het brood eten, de wijn drinken, Hem danken en Zijn zegen vragen hebben wij samen deel aan het bloed en lichaam van Christus. Wij zijn dan één lichaam omdat wij allemaal van dat zelfde spirituele brood eten.
3. Het is nu niet zo dat die afgoden echt goden zijn, of dat die offers echt offers zijn aan echte goden, maar met het aanbidden van afgoden dienen ze eigenlijk duivels, niet God.
4. We kunnen niet uit de beker van God én uit de beker van duivels drinken. Willen we soms jaloezie opwekken bij God? Zijn wij sterker dan Hem?
5. Alle dingen zijn ons wel veroorloofd, maar niet alle dingen zijn verstandig om te doen. Alles mag, maar niet alles is opbouwend. Het is goed om altijd het goede voor anderen te zoeken, zonder aan onszelf te denken.
7. We mogen al het vlees wat verkocht wordt met een schoon geweten eten. Als we bij een ongelovige willen eten mogen wij alles tot ons nemen wat er op tafel staat, zonder vragen te stellen. Maar als de ongelovige aangeeft: “Dit is vlees dat voor afgoden geofferd is”, zeg dan nee.
8. Dit is niet omdat we het niet mogen eten, maar dit is voor het geweten van de ander. Wat moet een ongelovige wel niet denken als een gelovige gewillig eet van het vlees wat aan afgoden geofferd is?
9. Paulus komt terug op de struikelblokken. We moeten zorgen dat er niets in de weg staat voor het evangelie. Als het eten van vlees een struikelblok voor een ongelovige kan zijn, eet het dan niet. Denk aan het belang van de ander.
10. “Wat u ook doet, doe het tot eer van God, ook het eten en drinken.”

Dit is geen vervanging voor de bijbel! Lees de bijbel! Het is het Woord van God!