1. We kunnen wel allemaal kennis hebben, maar kennis op zichzelf maakt mensen opgeblazen. De liefde daarentegen bouwt op.
2. Als er iemand wel kennis denkt te bezitten, maar hij past die kennis niet toe door (als het ware) een bril van liefde, weet hij als nog niets zoals het moet. Als iemand echter van God houdt, dan is hij door Hem gekend.
3. We weten dat er geen andere God bestaat dan Één, en dat afgoden in werkelijkheid niks zijn. Er zijn er wel veel die god genoemd worden, maar er is maar één God, de Vader, en één Here, Jezus Christus.
4. In de tijd waarin deze brief geschreven was, waren er sommigen onder de Korinthiërs die net bekeerd waren uit afgodendienst. Zij waren natuurlijk nog niet volwassen in hun geloof.
5. De vraag van de gemeente aan Paulus was waarschijnlijk het volgende: Is het erg om te eten van de overblijfselen van het vlees dat aan afgoden geofferd wordt? Het is in principe prima vlees en we weten immers dat er geen afgod in de wereld bestaat. Er bestaat geen andere God dan Één!
6. Het antwoord van Paulus luidt: Niet iedereen heeft een sterk geweten. Wat wij eten zal ons niet dichterbij of verder weg van God brengen, maar niet iedereen is bevestigd in deze kennis.
7. Als iemand die deze kennis niet heeft, u, die deze kennis wel heeft, ziet eten aan de tafel van een afgodentempel, wat zal hij denken? Zal hij niet in zijn zwakke geweten aangemoedigd worden om vlees te eten wat (in zijn gedachten) voor andere goden geofferd wordt?
8. Het idee is dit: Hij zal eten zonder dat hij God er mee eert en zonder dat het uit geloof voortkomt. Dit is zonde. Je laat je broeder dus door jouw kennis zondigen. Voor jou is het misschien geen zonde om dat vlees te eten, maar als die broeder het wel als zonde ervaart en het toch doet, is het zonde voor hem. (zie Romeinen 14:14-23)
9. Als wij een broeder, waarvoor Christus gestorven is, zo laten zondigen, zondigen wij zelf tegen Christus. Daarom schrijft Paulus: “indien wat ik eet, mijn broeder aanstoot geeft, wil ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder geen aanstoot te geven.”

Commentaar: Wij hebben tegenwoordig misschien niet meer met vlees dat voor afgoden geofferd wordt te maken, maar de waarheden die in dit hoofdstuk staan kunnen ook vandaag nog toegepast worden. Hoe zit het bijvoorbeeld met varkensvlees eten? Of het drinken van alcohol? Sommige christenen zijn er bijvoorbeeld van overtuigd dat we helemaal geen alcohol moeten drinken, terwijl sommigen vinden dat dit wel kan, maar met mate. Voor die eerste groep is het dan ook zonde om alcohol te drinken, want ze zijn er niet in hun eigen geest van overtuigd (Romeinen 14:5) dat het ook God-erend kan zijn. Anderen weten dat het drinken van wijn met mate niet erg is, het wordt namelijk meerdere keren in het oude- en nieuwe Testament beschreven als iets goeds. En nee, de Bijbel heeft het niet over druivensap. Je kunt namelijk niet dronken worden van druivensap. (1 Korinthiërs 11)

Hoe gaan we met dit soort dingen om? Ik heb geen kant-en-klaar antwoord, maar we kunnen wellicht steun vinden in dit hoofdstuk. Het is het in ieder geval niet waard, al weten wij zoveel, om we onze broeders laten struikelen door onze kennis.

Dit is geen vervanging voor de bijbel! Lees de bijbel! Het is het Woord van God!